22 december 2011

Onrechtmatige uitlating in de pers

Recentelijk (21 december 2011) heeft de rechtbank Rotterdam een vonnis gewezen in het geschil tussen NRC Handelsblad en vastgoedhandelaar Ed Maas omtrent een artikel in het NRC van 4 maart 2011.

De casus
Maas is een bekende ondernemer. Hij geniet landelijke bekendheid, onder meer omdat hij voorzitter is geweest van de toenmalige politieke partij LPF. Voorts komt hij voor op de jaarlijkse lijst van vermogende Nederlanders die wordt gepubliceerd door het tijdschrift Quote (de Quote-500).

In de krant van 4 maart 2011 heeft NRC in de Economie-katern een artikel gepubliceerd waarin de suggestie wordt gewekt dat Maas betrokken was bij een vastgoedtransactie. In het betreffende artikel wordt de indruk gewekt dat Maas betrokken is bij en geprofiteerd heeft van de transactie, die in het artikel wordt omschreven als “omvangrijke fraudezaak” en als “malversaties”.

Maas stelt zich op het standpunt dat hij daardoor in zijn eer en goede naam is aangetast. Het artikel bleek feitelijk onjuist omdat Maas in werkelijkheid niet bij die transactie betrokken was. Voorafgaande aan publicatie van het artikel heeft de desbetreffende journalist Maas niet om een reactie gevraagd. NRC heeft vrijwillig het artikel gerectificeerd.

In deze zaak ging het over de vraag of NRC door de publicatie jegens Maas onrechtmatig heeft gehandeld en Maas een schadevergoeding dient te betalen. Maas vorderde een bedrag van € 100.000,--.

De onrechtmatigheid
Maas baseert zijn vordering op een onrechtmatige daad van NRC. In de visie van Maas heeft NRC gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt door in het artikel te vermelden dat hij betrokken is bij en geprofiteerd heeft van de in dat artikel besproken transactie, die in het artikel wordt omschreven als “omvangrijke fraudezaak” en als “malversaties”. Maas stelt zich op het standpunt dat hij daardoor in zijn eer en goede naam is aangetast. NRC bestrijdt dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Ook stelt zij zich op het standpunt dat toewijzing van de vorderingen van Maas een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting oplevert (artikel 10 EVRM).

De rechtbank komt uiteindelijk tot het oordeel dat sprake is van een onrechtmatige daad. Bij de afweging van de belangen komt naar het oordeel van de rechtbank het meeste gewicht toe aan de voor Maas negatieve inhoud van het artikel, het ook toen al ontbreken van feitelijke grondslag voor die inhoud, de aard van de in het artikel aangehaalde bron, het achterwege blijven van de vereiste oplettendheid bij de interpretatie van die bron en de positie van de krant zelf.

Verder kan volgens de rechtbank niet worden gezegd dat het artikel in het geheel geen negatieve gevolgen voor Maas heeft gehad. In het licht van deze omstandigheden komt onvoldoende gewicht toe aan de omstandigheid dat NRC te goeder trouw heeft gehandeld en dat Maas al eerder negatief in het nieuws is gekomen.

Al met al is de rechtbank daarom van oordeel dat NRC jegens Maas onzorgvuldig en aldus onrechtmatig heeft gehandeld.

De schade
Ten aanzien van de geleden schade overweegt de rechtbank dat in het algemeen kan worden aangenomen dat een handelwijze als die van NRC, die onrechtmatig is, schade oplevert voor de benadeelde. Dat geldt in beginsel te meer in een geval als het onderhavige, nu Maas onbetwist heeft gesteld dat hij als ondernemer mede afhankelijk is van goodwill.

De rechtbank achtte van belang dat NRC direct na publicatie van het artikel een adequate rectificatie van het eerdere onjuiste artikel had geplaatst. Het bericht is in stellige en duidelijke bewoordingen opgesteld. Onomwonden wordt gesteld dat de in het artikel gemelde betrokkenheid van Maas “onjuist” is en dat hij “niet betrokken” was. Dat is volgens de rechtbank zonder meer voldoende duidelijk. Dit geldt ook ten aanzien van de vormgeving en wijze van plaatsing van het bericht. Ook die was adequaat.

Ten aanzien van de hoogte van zijn  materiële schade merkt de rechtbank op dat Maas zijn schade onvoldoende heeft onderbouwd. Wel heeft hij verklaard dat zijn zakenpartner nog “last” heeft van het bericht, maar dat is volgens de rechtbank onvoldoende concreet. Datzelfde geldt voor de door Maas gestelde immateriële schade. De gevorderde schadevergoeding van € 100.000,- is in zoverre dus niet toewijsbaar.

Maas vorderde ook nog vergoeding van zijn advocaatkosten. Maar ook die kosten waren niet onderbouwd.  De rechtbank vond wel dat er tussen het onrechtmatige handelen van NRC en de kosten van het inschakelen van een advocaat voldoende cuasaal verband bestond, en sloot ten aanzien van de hoogte aan bij het gebruikelijke tarief dat de rechtbank in dit soort zaken pleegt te hanteren, te weten het liquidatietarief, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 1.000,--.

De volledige uitspraak vindt u hier.

Informatie
Voor informatie over smaad, laster en andere onrechtmatige uitlatingen neemt u contact op met de mediarecht advocaten van WiseMen.  



ARCHIEF

Interesse in onze dienstverlening?

e-mail

sandra@wisemen.nl

sandra@wisemen.nl

of bel

070 - 381.92.81

070 - 381.92.81


© 2011 - WiseMen Advocaten